Schoolslag Applicatie

Schoolslag in al zijn Facetten

Zaterdag 25 april 2010 was er weer een bijscholing van NVVZT in Brakel. Het onderwerp dit keer was “Schoolslag in al zijn Facetten”. 176 toeschouwers keken daarbij naar voordrachten van de volgende sprekers:

  • Hans Elzerman: oud Olympiër en als NZA trainer betrokken bij de begeleiding van schoolslagzwemsters Moniek Nijhuis en Tessa Brouwer
  • Werner Freitag: oud Olympiër, president nationale sportzaken in de deelstaat Hessen
  • Wieger Mensoides: oud Olympiër en medaille winnaar schoolslag, nu biomechanicus en stromingsleer deskundige
  • Meike Freitag: drievoudig Olympiër, vorig jaar gestopt en nu leiding gevende van de afdeling sporthulp voor het instituut nationale sportzaken in de deelstaat Hessen
  • Rein Haljand: hoogleraar Kinesiologie, verzorgt al jaren technische analyses van Europese kampioenschappen voor LEN en maakt op uitnodiging uitgebreide video analyses

Hans Elzerman

Hans is een van de oprichters en trainers van E.ON-NZA en begeleidt als zodanig schoolslagtoppers Moniek Nijhuis en Tessa Brouwer.

Tijdens zijn presentatie laat Hans een filmpje zien van het WK 2009 met Moniek Nijhuis die daarin vierde werd. Eerst kijken we gewoon naar de race, maar daarna gaan we wat preciezer kijken naar haar techniek in vergelijking met de andere dames in die finale. Daarin valt allereerst op dat er veel verschillende variatie in techniekstijlen in de schoolslag top, zeker vergeleken met de andere slagen. Sommige zwemsters hebben een lange krachtige slag, terwijl andere juist een hele korte slag hebben met een hoog arm tempo.

In een nadere analyse werd het filmpje opgedeeld in verschillende fases. De eerste 15 meter (start), de laatste 5 meter (finish) en drie keer 10 meter (zwem gedeelte). De analyse laat zien dat Moniek ten opzichte van de winnares steeds ongeveer 6 honderdste per 10 meter verliest qua pure zwemsnelheid. Daarbij verliest ze ook een paar honderdste met de start en met de laatste 5 meter verliest ze 3 honderdste, wat in dit geval waarschijnlijk puur aan de zwemsnelheid ligt omdat het in de lijn ligt met de rest van de race.

Hans laat vervolgens ook een ontwikkelingstabel zien van Moniek van haar beste 50, 100 en 200 meter tijden over de laatste jaren. Per tijd staat ook de slaglengte (SL) en slagfrequentie (SF) per 25 meter. Daaruit blijkt ten eerste dat Moniek een stuk vooruit gegaan is over de jaren. En in de SL en SF is te zien hoe dat komt. Haar SF is lager geworden, terwijl haar SL een heel stuk langer is geworden. Hij laat ook zien hoe de gemiddelde SF en SL van Moniek en Tessa staan tegenover die van de wereldtop. Daaruit blijkt dat zowel de SF als SL van Moniek en Tessa ook voorkomt bij de wereldtoppers. Dus het verschil in tijd zit hem niet in een van die twee variabelen los gezien – het zit hem vooral in de combinatie van de factoren SL en SF.

Ook valt de SL van sommige wereld toppers op. Sommige wereldtoppers weten een SL te halen van bijna 3 meter. Hans tekent daarbij aan dat het niet verstandig is om de techniek en SL en SF combinatie van zo’n topper te gaan imiteren. Dit is namelijk erg persoonlijk voor de zwemster. Kleinere zwemsters zullen bijvoorbeeld nooit een SL van 3 meter halen en moeten de winst dus met een andere stijl zien te halen.

Om sneller te gaan zwemmen kan een zwemmer of zijn SF verhogen of SL verlengen. Hans geeft aan dat slagfrequentie lastig te trainen is. Meestal hebben de zwemsters een natuurlijke slagfrequentie. Verlagen gaat goed, verhogen amper. SL is wel goed te trainen, dus verbetering focust zich daar dan ook meestal op.

Hans heeft ook een hele reeks van tips die belangrijk zijn voor een goede schoolslag.

Zo moet een schoolslag techniek altijd gericht zijn op naar voren gericht zwemmen. Sommige toppers komen hoog uit het water, maar dit is alleen nuttig als die energie vervolgens naar voren wordt gebogen om winst te pakken bij het lang maken. Hoog uit het water moet dan volgens hem ook nooit een doel op zich zijn.

Verder is de plaats van de stuwvlakken erg van belang. Je moet een goede continue stuwbaan hebben zonder plotselinge richtingsveranderingen. Analyses van toppers heeft laten zien dat deze altijd een continue druk houden zonder scherpe richtingsveranderingen. De schoolslag benen moeten daarbij zo dwars mogelijk, zodat de stuwvlakken zo groot mogelijk zijn. Schoolslagtalenten onderscheiden zich vooral in hoe wijd ze hun voeten kunnen zetten en zo hun schoolslag beenstuwing kunnen maximaliseren.

Ook is het belangrijk om de heupen bij de contrafase altijd goed naar voren te duwen. Heupdruk noemt Hans dit. Deze heupdruk is enerzijds van belang omdat bij het de contrafase bij de benen op deze manier niet loodrecht onder het lichaam komen te staan, waardoor dit minder weerstand oproept. Hans laat ook een race zien van een zwemmer die daar moeite mee heeft en deze lijkt daardoor inderdaad bij de contrafase duidelijk meer tijd te verliezen dan zijn tegenstander. Zijn beenslag ziet er daarbij ook wat onnatuurlijk uit. Aan de andere kant laat Hans ook techniek foto’s zien van Amanda Beard (WK en OS kampioen 200 school) die wel een lage heupdruk te hebben. Hoe je daar toch OS kampioen mee kan worden weet Hans niet, maar het zou iets met de persoonlijke flexibiliteit van Beard te maken kunnen hebben.

Hans geef verder aan dat de contrafase armen zo kort en smal mogelijk gehouden moet worden. Hoe langer dit duurt, hoe langer er een weerstandsvlak bestaat. Vandaar dat deze fase vaak versneld wordt uitgevoerd, waarna er een lange glijfase komt met relatief weinig weerstand.

Hans geeft ook een aantal kortere tips. Voor analyse van snelheid in verschillende fases van de schoolslag kan bijvoorbeeld een intra cyclische snelheidsmeter gebruikt worden. Dit is een lint dat vast zit in een meetapparaat. Het lint dat wordt bevestigd aan een zwemmer heeft weinig weerstand. Dit is belangrijk omdat weerstanden zoals bijvoorbeeld elastieken van invloed zijn op de zwemtechniek. Verder geeft Hans aan niet met paddles te zwemmen in de schoolslag en weinig met elastieken te werken in het water, zowel in als tegen de zwemrichting, omdat dit sterk de techniek beïnvloed.

Werner Freitag

Werner Freitag is oud Olympiër (1964, 1968) en heeft veel zwem en trainervaring. Tegenwoordig is hij president nationale sportzaken in de deelstaat Hessen. In zijn presentatie behandelt hij de geschiedenis van de schoolslag, bespreekt hij enkele techniek verbeterpunten en analyse en geeft hij een set van algemene Leit gedanken, oftewel basis principes die belangrijk zijn bij het training geven.

De schoolslag bestaat al duizenden jaren en is waarschijnlijk gebaseerd op de bewegingen van een kikker. Maar Werner begint zijn uiteenzetting van de schoolslag geschiedenis in 1902 waarvan de eerste plaatjes van de schoolslag techniek te vinden zijn. In die tijd gaat met er nog uit dat met de benen moet intrekken helemaal tot onder de buik. Het aanleren van de slag gebeurt in eerste instantie op het drogen met allerlei apparaten met touwen waar de beginnende zwemmers in werden gehangen en waarmee de arm en been bewegingen hangend konden worden geoefend. In de eerste decennia van de twintigste eeuw was er eigenlijk geen sprake van een wetenschappelijke onderbouwing of relatering van het zwemmen met natuurkrachten.

In 1953 zwommen veel mensen een nieuw geïntroduceerde techniek, die dermate verschilt van de oude dat deze slag wordt afgesplitst als nieuwe slag met eigen regels: de vlinderslag. Werner laat ook een filmpje zien van een OS finale schoolslag dames van rond die tijd. De verschillen van de schoolslag van toen met die van nu is haast komisch. Het hoofd blijft steeds boven en sommige zwemsters experimenteren met gekke hoofdbewegingen. Vanwege onderwater zwemtechnieken moet vanaf eind jaren 50 het hoofd elke slag boven water komen.

Vanaf begin jaren zestig is er een stroomversnelling in de (wetenschappelijke) ontwikkeling van de schoolslag (zowel als bij de andere slagen). Dit begint met een zwemmer met een enorm hoog arm tempo met vlakke ligging. Begin jaren 70 is er even een ontwikkeling van een hele smalle beenbeweging bij de toppers, waardoor jonge zwemmers de slag ook zo aangeleerd krijgen en als gevolg veel slechter schoolslag leren zwemmen. Sinds 1986 mogen andere delen van het lichaam naast het hoofd het water doorbreken. En uiteindelijk is sinds 2006 een vlinder beenslag toegestaan bij start en keerpunt onder water.

In zijn techniek beschouwingen kijkt Werner naar de schaarslag. Hij stelt eerst vast dat een schaarslag een anatomisch probleem kan zijn en dan kan er weinig aan worden gedaan. Wat vaak wel helpt is om de enkels bij elkaar te houden bij het intrekken (niet de knieën). Verder laat Werner de kinderen met de voetzolen tegen elkaar aan kletsen. Dit vinden de kinderen niet alleen leuk, het is ook effectief: de enige manier waarop voeten tegen elkaar kunnen kletsen is als de benen goed symmetrisch naar buiten trekken tijdens de stuwfase. Verder moet er zeker ook goed naar de symmetrie van de zwemmer worden gekeken. Werner benadrukt dat een trainer in ieder geval goed moet nadenken hoe een techniek aanwijzing moet worden overgebracht. Zo kun je beter tegen kinderen zeggen dat ze knieën moeten buigen en niet intrekken, omdat intrekken automatisch kinderen hun knieën onder hun buik doet trekken.

In een foto analyse (van bovenaf) laat Werner vervolgens 4 verschillende techniek stijlen zien voor de schoolslag.

  • De glijschoolslag
    • Deze heeft een lage SF en is vooral een slag van beginners en van OS kampioenen
    • Continue techniek
      • Geen glijfase. De arm beweging gaat in een continue beweging rond zonder rust fase.
      • Overlappende techniek
        • Hier beginnen de armen alweer een de trek fase voordat de benen helemaal gesloten zijn na de stuwfase
        • ‘undulation techniek’ (golf beweging) in combinatie met een van de vorige drie technieken

Elk van deze technieken is een mogelijkheid om uiteindelijk tot OS goud te komen.

Als laatste legt Werner een aantal basis principes neer die belangrijk zijn bij het geven van training.

Het belangrijkste principe bij het aanleren van zwemmen is volgens Werner de individuele benadering. Iedereen heeft een ander lichaam en daar moet je rekening mee houden. Je moet als trainer ook vooral in dialoog durven te gaan met de sporter. Probeer samen tot techniek verbetering te komen. Dit is ook heel belangrijk volgens Werner omdat de trainer niet precies kan voelen wat de sporter voelt.

Ook is het volgens hem heel belangrijk om zwemmers dingen uit te laten proberen en daarbij creatief te laten zijn, omdat dit het watergevoel en plezier in zwemmen vergroot. Als voorbeeld haalt Werner aan dat om glijden te oefenen vaak 1 oefening wordt gebruikt, namelijk zo hard mogelijk afzetten van de muur en vervolgens zo lang mogelijk uit te drijven. Maar volgens Werner is dit veel te beperkt. Hij legt uit dat er veel meer mogelijke drijfmomenten zijn. Drijven kan na afzet van de muur of van het blok, maar ook na een sprong van de bodem of van de kant, of tijdens het zwemmen, of samen met een vriend door elkaar af te duwen. Werner ziet binnen de zwemsport nog veel groei mogelijkheden door kinderen met al deze facetten te laten experimenteren.

Werner eindigde zijn praatje met een lange lijst van basis principes die toegepast zouden moeten worden:

  • Geloof in de dialoog met je zwemmers. Dat is veel motiverender ook voor de zwemmer.
  • Eigen verantwoordelijkheid. De zwemmer moet zelf ook keuzes maken en zelfredzaam zijn. Bij een OS staan ze er ook alleen voor bij de voorstart.
  • Veelzijdigheid en veelvaardigheid nastreven. Geef je zwemmers bijvoorbeeld de opdracht om 10 minuten te zwemmen en niet twee keer dezelfde oefening te doen. En doe eens 10 minuten die opdracht met alleen bc benen.
  • Doe veel coördinatie. Doe niet alleen als oefening iets als vl armen bc benen, maar ben creatief en varieer in het ontdekken van alternatieve zwembewegingen.
  • Gedifferentieerd leren. Laat kinderen leren waar ze behoefte aan hebben en wat ze leuk vinden
  • Neem een kijkje bij collega trainers. Anders roest je vast in je eigen ideeën en is er geen innovatie meer. Leer van elkaar.
  • Sta fouten toe. Kinderen doen het na een techniek aanwijzing niet meteen goed. Dat kan in veel gevallen maanden (of jaren) duren.
  • Geef kinderen de tijd zich te ontwikkelen. Nationaal junioren kampioenen worden zelden Olympisch kampioen.
  • Sta breedte sport toe. Plezier en kwaliteit zijn belangrijk. Om toptalenten te vinden heb je verder een kritische massa in je kweekvijver nodig. Verder is iedereen die met plezier gezwommen heeft een stukje kritische massa die (later) kan leiden tot subsidie of sponsoring

Maar het allerbelangrijkst is het totaalplaatje. Het gaat om de combinatie, de mens als geheel en het gehele opleidingstraject. Er zijn veel oplossingen voor veel situaties en morgen kan weer heel anders zijn dan vandaag.

Wieger Mensonides

Wieger is oud Olympiër en won in 1960 brons op de 200 school. Op dit moment houdt hij zich vooral bezig met stromingsleer en weerstand.

Wieger begint zijn verhaal met illustraties van de verschillende fases in de schoolslag en de weerstand die daarin een rol speelt. Hij rekent ook voor dat bij een geringe vermindering van de overall weerstand bij een zwemstijl kan leiden tot een spectaculaire verbetering van de zwemtijden bij een gelijk blijvend energie verbruik. Wieger is daarom ook een sterk pleiter voor constante aandacht voor de zwemtechniek. Techniek training is ontzettend belangrijk en het duurt jaren van constante sturing om bij (oudere) zwemmers detailveranderingen in de techniek bij te brengen. Hij vindt ook dat er binnen het Nederlandse zwemmen te weinig nadruk op techniek trainingen.

De belangrijkste punten voor het verminderen van weerstand zijn:

  • Zwemmen in “one hole” of “buis”
  • Uitstrekken van de bewegingen
  • Symmetrie
  • Beheerst zwemmen – nooit ongecontroleerde of wilde bewegingen

Vervolgens laat Wieger een uitgebreide video analyse zien van de schoolslag op de 50 meter van Cameron van der Burgh (WR)  en de 100 en 200 meter van Kosuke Kitajima.

Bij van der Burgh valt op dat na een armen en benen cyclus de armen alweer beginnen met de volgende cyclus nog voordat de benen gesloten zijn. Er is dus geen enkele rustfase. Verder is de contrafase benen bijzonder kort en blijven de knieën daarbij dicht bij elkaar. Bij stuwing gaan de benen wel ver uit elkaar. Wieger legt uit dat bij de stuwing de weerstand vanwege de achterwaartse kracht geen rol meer speelt maar dat dan alleen het achterwaarts stuwende vermogen belangrijk is.

Verder wijst Wieger er op dat de handenstand belangrijk is. De optimale stand van de hand voor een zo groot mogelijke liftende werking is volgens studies 38 graden. Bestudering van de handen van van der Burgh doet inderdaad concluderen dat de handen bij hem in gekantelde positie staan bij trekfase van de armen.

Kitajima heeft geen overlap tussen twee armen en benen cycli, maar heeft daarentegen een opvallend lange perfecte stroomlijn in zijn slag, zelfs tijdens de 100 meter. Kitajima heeft stroomlijntechnisch volgens Wieger een vrijwel perfecte slag.

Het opvallendste is volgens Wieger echter dat duratie van 1 armen en benen cyclus precies even lang duurt. En dat is voor zowel de 50, 100 als 200 meter. De armen en benen cyclus duurt altijd net iets meer dan een seconde. Het belangrijkste verschil in tempo wordt verklaard tussen de lengte van de glijfase. Die glijfase heeft van den Burgh niet op de 50 meter, duurt bij Kitajima ongeveer een halve seconde op de 100 meter en bijna een seconde op de 200 meter. Verder wordt er op de 50 meter krachtiger en energetischer gezwommen, maar niet met snellere bewegingen dus. Volgens Wieger wordt dit verklaard door de zogenaamde eigen frequentie. Deze eigen frequentie is een innerlijk ritme van natuurlijk bewegen door het optillen van het hoofd en tegelijkertijd de benen. Het zou volgens Wieger natuurlijker en efficiënter zijn om volgens deze eigen frequentie te bewegen en doen alle topzwemmers dit intuïtief ook. Hoewel dit een bijzonder mooie uiteenzetting was miste ik toch een beetje de wetenschappelijke biomechanische onderbouwing van dit verschijnsel.

Naast de analyse had Wieger ook een set van tips een algemene richtlijnen bij het zwemmen van de schoolslag:

  • Omhoog komen is het creëren van potentiële energie. Als je je daarna weer gewoon laat zakken heb je die energie verspilt. Je zult deze potentiële energie dus moeten gebruiken om schuin naar voren te glijden, zodat deze energie wordt gebruikt voor de voorwaartse beweging.
  • Armen moeten een snelle contrabeweging hebben en zo kort mogelijk voor weerstand zorgen.
  • Je hebt het minste weerstand als het lichaam helemaal gestrekt is. Besteed daar aandacht aan.
  • Benen beginnen met stuwen precies op het moment als het lichaam zich uitstrekt. Niet eerder, maar ook zeker niet later.
  • Bij de contrafase benen moeten eerst de onderbenen omhoog worden gebogen en dan pas moet er in knieën worden gebogen.

Meike Freitag

Meike, de dochter van Werner, heeft een topsport carrière gehad van 15 jaar, waarin ze 3 keer een OS heeft gezwommen (’96, ’00, ’08) met 200 meter vrij als voornaamste afstand. Meike heeft tijdens die OS-en geen medailles veroverd en ook geen individuele afstanden gezwommen. Haar verhaal gaat niet over de schoolslag, maar over haar leven in de topsport en ook haar leven daarbuiten.

In haar biografische verhaal vertelt ze over de verschillende fasen die ze heeft doorlopen. Van de fase in haar jeugd dat alles leuk en gezellig was en winnen vanzelfsprekend en vanzelf ging. Maar toen ze bij de senioren kwam werd het heel zwaar. Alles was veel serieuzer, er waren ruzies in de ploeg, het plezier verdween en er waren conflicten door het Oost versus West in Duitsland. Niemand wou met haar praten en de andere dames reageerden niet eens als ze om de tijd vroeg.

Meike vertelt daarbij over haar eerste OS, waar ze zich kwalificeerde voor de estafette. Jammer genoeg ging het op de OS niet zo goed en mocht ze alleen de series zwemmen. Ze was onzeker, had het psychisch zwaar. Toch vond ze het achteraf een geweldige ervaring.

De jaren erna staan vooral in het teken van aan de ene kant aan de top blijven en aan de andere kant ook op studie vlak door te blijven groeien. Hierdoor komen veel conflicten. Ze heeft ook een aantal tegenslagen zoals gezondheidsproblemen, overtraining, blessures en een auto ongeluk, waardoor ze de OS ’04 heeft gemist. Uiteindelijk heeft ze haar beste prestaties door volharding weten te bereiken tijdens het OS 2008, waar ze 5e werd met de estafette ploeg. Ze mistte net wel de individuele afstand.

Meike legt uit dat de grootste problemen die ze in haar carrière tegenkwam uiteindelijk kwamen door een gebrek aan vertrouwen (van anderen en haarzelf), te rigide sturing door anderen, beslissingen waar ze zelf niet achter stond en een constante negatieve sfeer in de Duitse ploeg. De uiteindelijke successen kwamen ook door mentale hulp van een sport psycholoog, support van haar familie en vrienden en plezier in het zwemmen. Dat was in haar ogen dan ook veel belangrijker dan perse 3x per dag trainen en hoogtestages. Ook vertelt ze dat ze blij is dat ze hard aan haar studies is blijven werken. Dat heeft er nu voor gezorgd dat ze goede baan heeft kunnen vinden na haar sportieve carrière.

Al in al zou ze als ze opnieuw kon kiezen de sport carrière weer doen. Wel zou ze dingen van begin af aan anders aanpakken en meer op haar manier doen.

Rein Haljand

Rein Haljand is hoogleraar Kinesiologie in Estland en verzorgt al jaren technische analyses van Europese kampioenschappen voor de LEN. Deze analyses zijn bedoeld om hoofd elementen van zwemmers te analyseren, zodat ze als extra objectieve tool kunnen dienen voor de trainers. De LEN hoopt hiermee ook een competitief voordeel te halen ten opzichte van de zwemmers van andere continenten en het zwemmen zo verder wetenschappelijk te ontwikkelen.

Rein laat dan ook zien dat in zijn optiek een goede zwem prestatie alleen tot stand komt als een zwemmer presteert, de prestatie vervolgens wordt geanalyseerd. Dit gebeurt enerzijds door de coach door te observeren en daarna in real-time feedback te geven aan de zwemmer. Rein’s analyse is daarbij extra objectieve meting die binnen een paar dagen wordt geleverd. Samen zorgt dit voor een feedback en aanpassingen loop dit moet leiden tot een betere prestatie van de zwemmer tijdens een volgend toernooi. Verder geeft Rein aan dat het een middel is om de zwemmer te beschermen tegen de subjectieve waarneming van zijn trainer. Trainers observeren nog wel eens trage starts en keerpunten, maar met de objectieve metingen blijkt dat nog wel eens mee te vallen.

Rein begint zijn praatje al snel met een analyse van een EK finale te laten zien. Hij besteedt daarbij bijzonder veel aandacht aan visualisatie. De analyses laat hij zien door middel van foto overlays. In de foto is per 5 of 10 meter de tijd te zien. Ook is door middel van visualisatie met bolletjes te zien hoe een zwemmer in een bepaalde baan vergelijkbaar is met de zwemmers uit de andere banen.

Andere analyses die te zien zijn in en uitgangssnelheden bij de keerpunten. Er wordt geanalyseerd hoe snel het keerpunt wordt gemaakt en hoe snel vervolgens de eerste 5 meter de uitgangssnelheid is. Vervolgens wordt met een vergelijking van resultaten van de afgelopen 10 jaar op grote toernooien vastgesteld wat de zwakste punten per zwemmen zijn en waar de meeste verbeter ruimte zit.

Rein geeft ook een korte kijkje achter de schermen. Hoe hij de gelegenheid krijgt om al zijn camera’s te positioneren bij de wedstrijd waarmee hij kan gaan meten. En hoe hij zijn visualisaties de laatste jaren heeft doorontwikkeld. Een verandering is bijvoorbeeld een analyse van de start, omdat sinds de komst van de track start er een grote verscheidenheid is aan starten, die kunnen worden geanalyseerd. Hij visualiseert nu bijvoorbeeld de lengte tot de zwemmer bovenkomt, de tijd die daarover gedaan is, de snelheid van de zwemmer bij de start en de SF na de start. Hetzelfde gebeurt bij de finish.

Uiteindelijk leidt de analyse van een toernooi tot een analyse van 86 events, 1264 eind foto’s en een analyse van 20640 parameters.

Rein laat vervolgens ook zijn hoe alle data gebruikt kan worden voor een regressie analyse, waarin de belangrijkheid van de verschillende elementen van een race tegen elkaar kunnen worden uitgemeten. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een zwemmer een relatief zwak eerste keerpunt heeft, maar dat je toch gaat trainen op een al behoorlijke derde keerpunt omdat een verbetering van dat deel en de laatste baan meer bijdraagt bij een snellere race en dus efficiënter is.

Ongeveer hetzelfde gebeurt met een simulatie. In een simulatie wordt een race gepakt (in het voorbeeld een wereldrecord race van Amaury Leveaux) en dan wordt er gekeken naar stel we willen een 1% verbetering van de eindtijd, welke onderdelen van de race kunnen dragen dan het effectiefst bij voor deze verbetering. Uit deze analyse bleek bijvoorbeeld voor de race van Leveaux dat na een hele goede eerste baan en een uitmuntend keerpunt, de tweede baan relatief rustig was. Daar zou met een kleine verbetering het eenvoudigst die 1% winst kunnen worden geboekt.

Vervolgens laat Rein zien hoe hij onlangs de Zweedse ploeg heeft geanalyseerd. Er worden van 3 zijden camera’s opgesteld. Er komt een zij view, een frontale view en een diagonale view. In alle gevallen zijn dit rijdende camera’s, en zowel onder als boven water.

De beelden die hierbij worden gekregen kunnen in een speciaal stuk software eenvoudig real-time worden geanalyseerd. Zo kon Rein eenvoudig door puntjes te zetten op verschillende momenten op oriëntatiepunten van de zwemmer eenvoudig de snelheid bepalen per onderdeel van de slag, de banen bepalen van de armen door het water, zowel ten opzichte van het lichaam als ten opzichte van het water en ook konden krachten worden uitgerekend, bijvoorbeeld de sprong kracht van het voorste been bij de start.

Door zo te meten bij een op het eerste oog heel keurig zwemmende atleet, kon Rein vrij eenvoudig verbeterpunten vinden. Zo bleek een schoolslagzwemmer bijvoorbeeld een lagere te snelheid te hebben net na de slag onder water na de start, dan tijdens zijn gewone slag (1.4 m/s tegenover 1.5 m/s) en was dit een verbeterpunt. Hij liet ook zien dat top schoolslag zwemmers bij de stuwfase van hun benen hun voeten niet of amper in het water naar achteren verplaatsten. Oud topzwemster Brigitte Becue kreeg het bijvoorbeeld voor elkaar om haar voeten een paar centimeter verder te hebben in het bad dan het moment dat ze begon te stuwen met haar benen. Heel belangrijk is het in ieder geval dat voeten niet terugslippen bij het stuwen, maar alleen zoveel mogelijk kracht zetten.

Hij liet ook zien dat, vooral bij de slag onder water, de voeten soms na de contrafase wel eens in een hoek stonden groter dan 90 graden (vooral bij sommige toppers). Dit is echter zinloos omdat in die positie anatomisch gezien moeilijk kracht kan worden gezet de eerste paar graden.

Rein sloot af met een leuke innovatie, waarbij bewegingen werden omgezet in akoestische patronen. Op deze manier kunnen aanpassingen in het ritme van de zwemmer akoestisch worden overgedragen wat makkelijker te onthouden lijkt voor de zwemmer dan een gesproken aanwijzing in de zin van ‘eerder’ of ‘later’ bewegen.

Conclusie

Het was weer een bijzonder geslaagde applicatie van NVVZT met interessante sprekers. Vooral Rein Haljand sprak bijzonder tot mijn verbeelding met zijn enorme verzameling aan analyses en inzichten in hoe dit objectief kan worden gebruikt om tot techniek verbeteringen te komen en hoe je tot innovaties kunt komen om het zwemmer verder te helpen. Maar elke spreker had wel interessante nieuwe inzichten of analyses en waren leuk om te volgen.

In combinatie met de analyses van Hans Elzerman en Wieger Mensonides toonde het ook duidelijk aan dat het moderne top zwemmen niet zonder camera en ondersteuning van objectieve en wetenschappelijke analyse kan.

Ook benadrukten alle sprekers het belang van techniek bij het zwemmen. De inspanning die het kost om op detail niveau aanpassingen te maken bij zwemmers maakt het ook duidelijk dat van jongs af aan intensief gewerkt moet worden aan techniek. Ook hierbij is camera ondersteuning van groot belang om op jonge leeftijd de techniek al goed te kunnen ontwikkelen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *